Bij aderlaten mag de juiste tourniquetdruk niet hoger zijn dan 80 mm Hg. Het uitoefenen van gematigde druk voorkomt de oppervlakkige ophoping van bloed zonder de arteriële toevoer naar de arm te belemmeren. Na het afnemen van het bloedmonster moet de tourniquet volledig worden verwijderd voordat de naald uit de ader wordt verwijderd om te voorkomen dat overtollig bloed eruit wordt gedrukt en mogelijke stolsels ontstaan.